index

Difference Day Longread

3 mei 2017, Internationale Dag van de Persvrijheid

Debatcultuur of verbied- en taboecultuur?

Een recensie

 

Sven Peeters

(DIFFERENCE DAY LONGREAD PEN VLAANDEREN) ALS PDF

Laat het net vandaag zijn dat PVDA/PTB-kopstuk Raoul Hedebouw een mes in het been kreeg, net vóór hij het 1 mei-spreekgestoelte zou bestijgen. Het heeft er alle schijn van dat de dader, die volgens sommigen de marxisten “idioten” zou hebben genoemd, zijn slachtoffer het zwijgen wilde opleggen. De tendens van de laatste jaren om de tegenstander met de andere mening met geweld van repliek te dienen wordt breed uiteengezet in het recente boek van journalist Johan Op de Beeck (VRT, VTM, Panorama, TV Limburg, Kanaal Z), De bedreigde vrijheid. Uw vrije meningsuiting in gevaar? Het is een boek geschreven vanuit de bezorgdheid dat het recht van vrijheid van mening, dat vandaag de dag gans (ook juridisch) verworven leek te zijn, ter discussie staat en wordt bedreigd.

Voor dat recht hebben doorheen de eeuwen moedige en consequente mensen gevochten en vaak hun leven gegeven. Het is die geschiedenis die Op de Beeck in het eerste deel uit de doeken doet. Daarbij speelde de Belgische Grondwet van 1831 een belangrijke pioniersrol. In het tweede deel bespreekt Op de Beeck een aantal casussen en incidenten uit de actualiteit. Daaruit puurt hij een aantal wenken en adviezen voor de politiek en het onderwijs. De focus ligt daarbij vooral op de bedreiging van het recht op vrije meningsuiting door de fundamentalistische islam. Het is de verdienste van Op de Beeck dat hij een historisch overzicht combineert met een analyse van wat er ons hier en nu te doen staat om in onze superdiverse samenleving de vrije meningsuiting te garanderen. Daarbij grijpt hij opvallend vaak terug naar principes die oude (vergeten) denkers formuleerden. Maar het boek bevat ook een leemte, en niet alleen omdat deze materie zo alomtegenwoordig is en zo snel evolueert dat de werkelijkheid het boek voortdurend inhaalt.

Pioniers en horzels

Het proces-Socrates was het eerste gedocumenteerde geval van beknotting van meningsuiting. De officiële beschuldiging tegen de straatfilosoof in 399 v.C. luidde ‘goddeloosheid’ maar het was algemeen geweten dat de Atheense autoriteiten Socrates een herrieschopper vonden, “een horzel” (Plato). En die man diende zijn mond te houden. Zijn terdoodveroordeling zorgde voor diepe verdeeldheid in de stad. Want was de socratische methode, de voortdurende kritische analyse via woord versus afwijzend, soms kwetsend wederwoord niet juist de kern van de democratie?

Op de Beeck legt vervolgens uit hoe doorheen de geschiedenis het conflict tussen autoritaire en dissidente stemmen gaandeweg de democratie heeft gevormd, zoals we die vandaag kennen. Hij begint zijn overzicht met de lotgevallen van Jean Migault. In zijn dagboek vertelt de hugenoot uitvoerig over de religieuze repressie van andersgelovigen door het regime van de katholieke Lodewijk XIV. Intimidatie was daarbij een beproefde methode. Op de Beeck: “Angst wint het vaak van meningen.” (p. 20). Hoe actueel klinken deze woorden. Het verhaal van Migault is voor de auteur een opstapje om de dynamiek tussen godsdienst en vrije meningsuiting centraal te stellen in dit boek.

En het mag gezegd: het was een Antwerpenaar, Franciscus van den Enden, die als eerste in de Nederlanden ijverde voor vrijheid van meningsuiting. Hij was nota bene een leraar van Spinoza! Zijn Vrije Politieke Stellingen (1665) zou mede aan de grondslag liggen van de Verlichting. Als een van de allereerste Europeanen plaatste Van den Enden de vrijheid van mening bovenaan alle andere vrijheden. “We zijn hem vergeten”, aldus Op de Beeck (p. 35) maar de Antwerpenaar was een pionier. En dat bekocht hij met gebroken voeten en knieën door foltering en ten slotte met ophanging. Als republikein was hij namelijk betrokken bij een samenzwering tegen Lodewijk XIV.

Minder vergeten is de filosoof Baruch de Spinoza die in zijn Tractatus theologico-politicus (1670) de plaats van godsdienst in de maatschappij en de politiek besprak. Belangrijk is dat hij de vrijheid van mening boven die van godsdienst stelt. Volgens Spinoza moeten godsdiensten tegen zichzelf worden beschermd omdat religieus geïnspireerde staatsapparaten al hadden aangetoond dat ze andersdenkenden niet lustten. Een religieuze reden inroepen om een mening te verbieden heeft volgens Spinoza niets te maken met respect voor God dan wel met aards opportunisme. Meningsvrijheid moet volgens hem de basis zijn van een vrije, vreedzame maatschappij zodat die niet bedreigd kan worden door tegengestelde meningen. Spinoza was verder ook de eerste om dit principe toe te passen op de pers, die alles moet kunnen publiceren, ook ideeën die controverse wekken. Maar Spinoza’s studie zelf verscheen anoniem, hij werd belaagd en uitgestoten. Zijn tijd was nog niet klaar voor zijn ideeën.

“Zonder vrije pers is elk volk een domme en gedweeë kudde,
elke regering er een van willekeur en meedogenloze uitbuiting.”

Een volgende, belangrijke stap naar een gegarandeerde vrijheid van meningsuiting hebben we te danken aan de Franse encyclopedisten. Daartoe behoorden o.a. de Verlichtingsfilosofen Voltaire en Denis Diderot, ‘horzels’ die met hun ideeën de censoren van het Franse staatsapparaat provoceerden met uitspraken als “Het scepticisme is de eerste stap op weg naar de waarheid”. Voor die uitspraak vloog Diderot de gevangenis in. Maar de grootste provocatie moest nog komen, in de uitgave van de Encyclopédie (1751-1772). Revolutionair was de encyclopedische opzet, die daarmee de alwetende God beconcurreerde; ook de gravures die vulgariserend en dus democratiserend werkten; de alfabetische volgorde en dus geen hiërarchische indeling naar rang of stand; de gelijk verdeelde aandacht voor hoog en laag. Bovendien lagen wetenschappelijk inzicht en kritisch betoog aan de grondslag van dit project, geen God of zijn aardse vertegenwoordiger. In de laatste edities wijdde men ook aandacht aan relevante begrippen als tolerantie, satire en vrije pers.

Niet veel later wierp de Franse Revolutie het door God geïnspireerde systeem tegen de grond en leek de weg vrij voor democratisering. Maar die transformeerde al gauw in terreur onder de beruchte Robbespierre totdat Napoleon orde op zaken stelde. Hoewel deze de gelijkheid propageerde, hield hij de politieke vrijheid aan een strakke leiband. Hij liet de pers controleren en stelde een lijst op met verboden onderwerpen. Maar de Franse Revolutie baarde ook de Verklaring van de Rechten van de mens en de Burger (1789). Op de Beeck wijst hierbij op drie essentiële artikels: artikel 4: “De vrijheid bestaat erin om alles te kunnen doen wat de ander niet schaadt […]”, artikel 10: “Niemand mag vanwege zijn opvattingen, ook niet godsdienstige, worden lastiggevallen, in zoverre dat hun uiting de door de wet ingestelde openbare orde niet verstoort” en artikel 11: “[…] iedere burger kan dus vrijelijk spreken, schrijven en drukken, behoudens en bij de wet omschreven gevallen, waarin hij van deze vrijheid misbruik maakt” (p. 77)

 

Zaak van hoogdringendheid

Aan de vooravond van de Belgische revolutie moest de Brugse politieke filosoof en journalist Louis De Potter de gevangenis in. Zo reageerde immers Willem I, heerser over het kortstondige Verenigde Koninkrijk der Nederlanden, tegen de kritiek die zovele katholieke en liberale kranten hadden op zijn regime. Op de Beeck schrijft dat onder Willem I tientallen redacties voor de rechter moesten en meer dan negentig journalisten zware gevangenisstraffen kregen. Het lijkt wel Erdogan avant-la-lettre. Op dezelfde dag dat hij schreef “zonder vrije pers is elk volk een domme en gedweeë kudde, elke regering er een van willekeur en meedogenloze uitbuiting, de vrijheid van meningsuiting en van eredienst is een lachertje, het nationaal gevoel, de publieke opinie zijn uitgeholde begrippen” (p. 79-80), verdween De Potter in de gevangenis. In zijn dagboeken kan je lezen over de ontberingen en intimidaties aldaar.

“Als één onder hen een ander middel dan het woord gebruikt,
dan zullen we belanden in anarchie en chaos.”

De Potters ideeën én de bestraffing ervan inspireerden de Belgische Grondwet van 1831, in die dagen de meest liberale in zijn soort in heel Europa. En hier begint Op de Beeck te adviseren: lees De Potter nog eens keer aandachtig, want zijn ideeën zijn nog steeds erg actueel. De Potter pleitte voor een totale meningsvrijheid “op voorwaarde dat men de tegenpartij toestaat zich te verdedigen en bereid is dezelfde aanvallen te ondergaan als die welke men plaatst” (p. 83). Of: “Het enige wapen tegen een meningsuiting is een andere meningsuiting” (idem). En, zeer actueel: “Als de vrijheid enkel voor onszelf geldt, dan is het geen vrijheid, slechts privilege, slechts de keerzijde van onderdrukking, en zal ze een eindeloze kettingreactie van geweld en vervolging uitlokken.” (p. 85)

Vanaf dit moment in het boek spreekt Op de Beeck zich persoonlijker en duidelijker uit. Hij geeft raad, hij suggereert en legt de pijnpunten in onze hedendaagse maatschappij bloot. De Potters ideeën zouden verplichte lectuur moeten worden in het onderwijs, en met name zijn gedachte van de gelijkheid van overtuigingen: “Als alle overtuigingen vrij met elkaar kunnen debatteren, elkaar proberen te overtuigen, zal alles spontaan en natuurlijk op orde komen; maar als één onder hen een ander middel dan het woord gebruikt, dan zullen we belanden in anarchie en chaos […]” (p. 99-100) Op de Beeck noemt het “een zaak van hoogdringendheid” om het vrijheidsdenken te onderwijzen, “misschien ook in de parlementen” (p. 100) en zal dat later nog herhalen. En hier heeft hij het voor het eerst over de islam. Vaststellingen daarbij zijn dat dankzij de door de wet gewaarborgde vrijheid van meningsuiting sommige moslims uitspraken kunnen doen die de meerderheid als schokkend ervaart, maar dat tegelijkertijd ook de garantie bestaat dat “alle stellingen die mensen poneren vatbaar voor kritiek” zijn. “Er zijn geen no-go-areas.” (p. 100-101) Daarmee zijn we tegenwoordig in een spreekwoordelijk mijnenveld terechtgekomen, zoals blijkt uit een paar tendensen die een bezorgde Op de Beeck vervolgens schetst.

Op de Beeck begint met een centrale vraag: willen we een debatcultuur of een verbied- en taboecultuur? Hij vergelijkt de oorspronkelijke geest van de Grondwet met enkele recente aanpassingen, zoals bijvoorbeeld de wet op het negationisme. Racistische uitlatingen die oproepen tot haat en geweld zijn tegenwoordig strafbaar, “ook al kan niet altijd even duidelijk zijn wat daarmee bedoeld wordt” (p. 106). In 1831 was dat niet zo en ging men bijgevolg uit van “enig incasseringsvermogen van de burger, een vermogen dat we ook vandaag nodig lijken te hebben” (idem). Op de Beeck lijkt te willen pleiten voor die oorspronkelijke geest van de Grondwet en geeft recente voorbeelden van inperkingen inzake geschiedschrijving en academische discussie. Hij heeft het over “de controversiële jacht op islamcritici” (p. 111), zoals schrijver Michel Houellebecq, gedumpt door zijn uitgever maar vrijgesproken van rassenhaat, en Brigitte Bardot die een boete kreeg voor haar kritiek op de moslimgemeenschap in haar land.

Vrijspraak of boete? “Rechtspraak of… kromspraak?” is de titel van het volgende hoofdstuk, waarin Op de Beeck wijst op de juridische verwarring die er heerst. In 2005 was er een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat zei dat de fundamentele vrijheid van meningsuiting kan worden ingeperkt in geval van “offensief beledigen van de meest intieme en religieuze gevoelens van gelovigen” (p. 113). In 2006 was er een ander EHRM-arrest dat deze vrijheid koppelde aan “verantwoordelijkheden […], waaronder de plicht om uitlatingen te mijden die ‘nodeloos kwetsend’ zijn” (idem). Paradoxaal genoeg is in de geest van de Grondwet een religieuze overtuiging slechts een mening als een andere en dus kan er kritiek op worden geuit. Daarnaast is er de problematische term “kwetsend”. Want hoe moet men “kwetsend” of “beledigend” definiëren?

Tolerantie voor de intolerantie?

Op de Beeck ziet de religieuze intolerantie toenemen in onze maatschappij, “met name bij een deel van de moslims” (p. 117). En die intolerantie sluipt gaandeweg ook de wetgeving binnen. Zo wil het Interfederaal Gelijkekansencentrum Unia een debat over het Grondwetsartikel 150 om haatboodschappen op of via het internet te kunnen bestraffen. In haar jaarverslag van 2015 heeft Unia het daarin enkel over haatboodschappen van islamofobie en homofobie, maar niet over islamistisch geïnspireerde boodschappen. Op de Beeck betreurt dat soort evoluties. Hij wijst erop dat men bij aanklachten tegen meningsuitingen niet enkel naar de inhoud moet kijken, maar ook naar de context waarin de uiting plaatsvond en het effect ervan. Op de Beeck pleit dus voor omzichtigheid.

Vervolgens neemt Op de Beeck ons mee naar de islamitische boekhandels van Brussel, waar er allerlei boeken te vinden zijn vol “extreme en zelfs antidemocratische islamistische uitingen” (p. 137), zoals die van de Frans-Algerijnse publiciste Houria Bouteldja. Op de Beeck stelt de pertinente vraag of burgers die in hun geschriften letterlijk de democratie verwerpen nog wel mogen rekenen op de bescherming door diezelfde democratie inzake vrijheid van meningsuiting. Eerder dan een overwogen antwoord te geven op zo’n vraag zijn we ondertussen allemaal banger en voorzichtiger geworden, aldus Op de Beeck. Als voorbeeld geeft hij het beeld van islamcritica Ayaan Hirsi Ali die tegenwoordig pas het woord kan nemen als ze omringd is door een legertje veiligheidsagenten. Op de Beeck geeft zelf toe dat hij lang de bedreiging vanwege de islamisten, i.c. salafisten, niet had willen zien, ook niet toen die Benno Barnard bij het begin van diens beruchte lezing op 31 maart 2010 de mond snoerden met bedreigingen.

“… een democratie is gebaseerd op de eigenschap van zelfcorrectie …”

Waarmee we bij Charlie Hebdo zijn aanbeland. Hoe te reageren op (islamistisch) geweld tegen meningen? Want het is duidelijk, aldus Op de Beeck (p. 144), dat de opvattingen van religieuze fanatici niet langer meningen maar dodelijke wapens zijn geworden. Moeten we dan zelfcensuur toepassen? Op de Beeck illustreert hoe uiteenlopend de Europese krantenredacties omgingen met de cartoons die hadden geleid tot de moorddadige raid op de redactie van Hebdo. Velen publiceerden de satirische tekeningen, maar de meeste vooral online en niet op papier. Sommigen namen het risico niet. Op de Beeck betreurt hier het gebrek aan één groot journalistiek front tegen deze gewelddadige aanval op de vrijheid van pers en mening. En stelt zich meteen de vraag of journalisten sindsdien nog in volle openheid durven / kunnen / mogen schrijven inzake islamistische radicalisering.

De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper schreef dat grenzeloze tolerantie leidt tot het verdwijnen ervan. We moeten tolerant zijn, maar niet voor de intoleranten. En hij vroeg daarbij ook bescherming door de staat. Dat zijn de twee uitgangspunten waarmee Op de Beeck onze beleidsmakers wil adviseren. Daarbij roept hij de hulp in van de Nederlandse politicus George van den Bergh die in 1936 de paradox oploste van de Duitse nazi-partij die een dictatuur had weten te installeren door via democratische verkiezingen aan de macht te komen. Van den Bergh wees erop dat een democratie gebaseerd is op de eigenschap van zelfcorrectie: een democratisch besluit kan worden gecorrigeerd door een ander besluit. “En dus […] mag een democratie die bewegingen en partijen bestrijden en zelfs verbieden die het principe van zelfcorrectie willen afschaffen.” (p. 158) Het artikel 17 van het EVRM (Verbod van misbruik van recht) maakte deze bevinding van Van den Bergh wettelijk.

Allemaal goed en wel, maar de Grondwet staat een absolute vrijheid van mening voor. Echter, twijfelt Op de Beeck, zijn de tijden niet te zeer veranderd sinds 1831? Is de technologie om meningen te verspreiden niet radicaal gewijzigd? Zijn de bedreigingen niet van een geheel andere orde vandaag? Op de Beeck stelt vast dat we momenteel nog geen knopen durven doorhakken. N-VA-politicus Peter De Roover liet eerder een ballonnetje op om de absolute meningsvrijheid in te perken; “beledigend” blijkt juridisch een al te vage term en willekeur inzake interpretatie ligt op de loer. Bovendien houden de mensenrechtenorganisaties landen met inperkende initiatieven in de gaten, zij het nogal selectief, aldus Op de Beeck. Processen tegen IS-strijders liggen onder hun loep maar de controversiële veroordeling van Geert Wilders liet Amnesty International links liggen. Amnesty heeft verder heel wat bedenkingen bij de snelheid waarmee antiterreurwetten werden goedgekeurd in België. Dat zorgt voor terughoudendheid bij de beleidsmakers.

Op de Beeck pleit voor meer debat, voor goede afspraken tussen religies en de staat. Wat betreft de “de doodgravers van onze samenleving” (p. 177) wil de auteur geen inperking van de meningsvrijheid, maar professioneel speurwerk en juridische afhandeling. Hij wenst dat het onderwijs meer aandacht besteedt aan de vrijemeningsuiting en het de jongeren aanleert hoe die te hanteren. Politici moeten middelen vrijmaken voor debateducatie, zodat schoolkinderen leren discussiëren en vrij te spreken. Beleidsmakers moeten de dialoog aangaan met de grote meerderheid van niet-fundamentalistische moslims en hen beschouwen als volwaardige burgers.

Moeras van meningen

Vervolgens wil Op de Beeck het nog hebben over het linkse, multiculturalistische discours dat een belangrijke stem heeft in het maatschappelijke debat. Eerst zet hij de definitie op scherp: “Het multiculturalisme huldigt […] het principe dat verschillende mensen en groepen verschillend moeten worden behandeld, juist vanwege hun divergerende culturen en opvattingen.” (p. 189) De voorbeelden die hij daarbij geeft komen zo uit recente polemieken: over het wegblijven van school op religieuze feestdagen, de herinrichting van begraafplaatsen, het aanpassen van schoolcurricula, gescheiden zwemmen toestaan, halal eten voorzien en onverdoofd slachten. Op de Beeck vraagt zich af waar de grens ligt voor “dit uitzonderingsbeleid” (p. 190), omdat er lijkt te worden geïmproviseerd. Hij wijst niet alle uitzonderingen voor nieuwkomers af maar vraagt in ruil wel dat zij worden gewezen op de grondrechten van onze maatschappij en dat zij een degelijke en verplichte taalopleiding en burgerschapsvorming volgen (p. 191). Bij de grondrechten hoort de vrijheid van meningsuiting en dus het recht op kritiek.

Kritiek die tegenwoordig al te makkelijk wordt weggezet en waarbij de vertolkers ervan ook vaak worden geïncrimineerd. Op de Beeck heeft het daarbij over de uitholling van scheldwoorden als “populist”, “islamofoob” of “Verlichtingsfundamentalist” (hoofdstuk 18). Het zijn woorden die het gesprek meteen doden en karaktermoorden plegen. Vraag dat maar aan Frits Bolkestein, Paul Scheffer of Tom Naegels, om er enkele te noemen uit een reeks die Op de Beeck vermeldt. De schooldirecteur uit het Brusselse gemeenschapsonderwijs die zich zorgen maakte over radicaliserende leerlingen kreeg in plaats van oplossingen of tenminste een debat vooral kritiek wegens het stigmatiseren van moslimkinderen. Vervolgens hield hij zijn mond. Zo wordt het broodnodige debat een taboe, wat niet alleen ingaat tegen de geest van de democratie maar ook tot gevolg kan hebben dat dissidenten en critici van de radar verdwijnen. Vervolgens heeft Op de Beeck het over de lotgevallen van dissidente stemmen binnen de islam, van Ibn Rushd “Averroes” tot Assita Kanko (MR) en de Iraans-Belgische blogster Darva Safai. De geciteerde Molenbeekse kunstenaars Ben Hamidou en Sam Touzani zijn echter erg pessimistisch over een kritische kijk op de islam binnen de gemeenschap zelf. En de auteur zelf (p. 202 e.v.) toont zich teleurgesteld over het initiatief om een televisiezender op te richten genaamd “Panama”, een zender die een stem zou geven aan de belangrijkste allochtone gemeenschappen van het land. Het plan kwam nooit van de grond wegens politieke onwil en electorale vrees.

Ondertussen hebben de sociale media het zogenaamde debat gekaapt, eigenlijk geannuleerd: “Aan het moerassige front van Twitter wordt iemands mening aan flarden gescheurd, nog voordat er enig ernstig debat over gevoerd is.” (p. 209) En toch kan je het niet verbieden, wegens de vrijheid van meningsuiting. Het blijkt tevens een juridisch mijnenveld te zijn om aan te tonen waar het kwetsende woord overgaat in het strafbare. Op de Beeck: “De doeltreffendste manier om dit soort bagger aan te pakken is hem openbaar aan te vallen, te weerleggen en te verfoeien. Niet door de baggeraar te bestraffen. Willen we van deze mensen martelaars maken, met volgers en aanhangers?” (p. 216).

“We moeten onze kinderen de grondwaarden aanleren, burgerschap, tolerantie, debat en vrije meningsuiting.”

Concluderend schrijft Op de Beeck dat de bedreigingen voor de vrije meningsuiting vanuit verschillende hoeken komen: vanwege haat zaaiende rechtsextremisten, antidemocratische religieuze fanatici, politici die beide voorgaande groepen willen bekampen met inperkingen van het vrijemeningsrecht en multiculturalisten die elke commentator op de multicultuur culpabiliseren (p. 224).

Wat een moeras van meningen. Hoe raken we daar doorheen? Op de Beeck keert terug naar de beginselen van Voltaire, de Belgische Grondwet en het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EVRM). Hij citeert de relevante artikels uitvoerig. Termen als “belediging” en “kwetsing” doen niet ter zake, maar racisme en xenofobie kunnen uiteraard niet. Met filosoof Patrick Loobuyck concludeert hij: “Laat ons een discours zoeken dat tegemoetkomt aan eenieders zorgen.” (p. 240) Hef het wij-zij-denken op.

Op de Beeck heeft het over kansen maar is bang voor de moeilijke evenwichtsoefening van politici, “wier voeten zich langzaam naar de volgende verkiezingsstress verplaatsen” (p. 241), tussen het willen behagen van een steeds diverser wordend kiespubliek en het vasthouden aan de grondbeginselen van onze democratie. Is pragmatisme goed of toont dat gebrek aan ruggengraat? Hierbij wordt ook de vluchtelingendeal tussen Europa en Turkije genoemd. Na een speurtocht in de verkiezingsprogramma’s (2014) van alle Vlaamse partijen naar hun ideeën over vrijemeningsuiting komt Op de Beeck van een kale reis terug. Anno 2017 vraagt de auteur meer visie en daadkracht van de politiek en dit over partijgrenzen heen. Hij kijkt daarbij uit naar de aankomende verkiezingen en citeert Karl Popper opnieuw: “Ik eis van de staat bescherming. Ik vraag bescherming van mijn vrijheid en die van anderen” (p. 251).

De politiek moet kleur bekennen: hoe willen ze een steeds diverser wordende samenleving, waarin steeds meer stemmen en opinies zullen botsen, een democratische invulling geven? Het antwoord ligt bij het onderwijs. We moeten onze kinderen de grondwaarden aanleren, burgerschap, tolerantie, debat en vrije meningsuiting. Op de Beeck: “De strijd rond de vrije meningsuiting is geen strijd tussen bevolkingsgroepen. (…) Het is een strijd voor een vrij land, waarin tegengestelden vreedzaam kunnen samenleven.” (p. 257)

Tot slot

Op de Beeck heeft een breed boek over het thema geschreven dat met uiteenlopende en wellicht hier en daar contradictoire stof tot nadenken geeft voor de lezer, inclusief mezelf. De zeer uitgebreide bibliografie biedt kansen om dieper in te gaan op bepaalde aspecten. Maar hier en daar bleef ik op mijn honger zitten. (Zeer) actuele gebeurtenissen komen niet aan bod in het boek, misschien omdat er (bewust) geen ruimte voor was – Op de Beeck sluit zijn verhaal af op 4 maart 2017 –, misschien omdat er eerst tijd en beschouwing aan moet worden geboden. Ik noem hieronder een paar onderwerpen die zeker onder de titel “de bedreigde vrijheid” besproken kunnen worden.

Vreemd is dat er geen enkel woord wordt gewijd aan islamcriticus Wim van Rooy of bijvoorbeeld essayist Ico Maly, belangrijke stemmen in het islamdebat, naast andere wellicht. Over Donald Trump versus de vrije pers valt ook een en ander te zeggen; als het ginder regent, begint het hier ook te druppelen. De toename van ‘fake news’ komt niet aan bod. De essays verzameld door Johan Sanctorum en Frank Thevissen (in twee delen: Media en journalistiek in Vlaanderen kritisch doorgelicht (2009) en De vierde onmacht (2010) kunnen een interessante aanvulling zijn bij de bibliografie. De nieuwswebsite voor onderzoeksjournalistiek Apache werd recent juridisch geïntimideerd; ook daar wordt de vrijheid van meningsuiting bedreigd. Enzovoorts. Nogmaals, het vergt tijd en ruimte om alle vrijheidsbeteugelende tendensen te bespreken, maar in dit boek heeft Op de Beeck zich vooral geconcentreerd op het oprukkende islamfundamentalisme. Dat is terecht een van de grote uitdagingen van onze tijd. Maar er is meer aan de hand, ook in eigen land. Zoals de recente ontslagen van Rachida Lamrabet en Alona Lyubayeva. De indruk ontstaat dat kritische stemmen onder politieke druk het zwijgen wordt opgelegd. Tegelijkertijd krijgt PEN Vlaanderen af en toe van collega-journalisten te horen dat zij onvrijheid ervaren in de werking van hun nieuwsredactie. Wordt vervolgd dus.

index

 

 

 

 

 

 

 

 

Johan Op de Beeck, De bedreigde vrijheid. Uw vrije meningsuiting in gevaar? Horizon, 2017, 271 p.