54413_96001_tRWWSp

Heeft Turkije internationale betweters nodig?

Voor PEN Vlaanderen woonde MO*-journaliste Tine Danckaers het Cumhuriyetproces bij in Istanboel. Een schertsvertoning waar de hoofden zijn gevallen nog voor de uitspraak, zo leek. Hoe nuttig is het dan nog om als internationale waarnemer aanwezig te zijn?

Ik heb Turkije losgelaten als mijn “hoopland”, vertel ik een fijne dame uit de Vlaamse kunstwereld, die ik ontmoette aan de bagageband van Sabiha Gökcen, de tweede luchthaven van Istanboel. We nemen samen de shuttle naar Taksim, het hart van de stad.

Zelf is ze hier om de kunstbiënnale te bezoeken die er van start gaat. Ze is alleen, haar collega’s hadden deze tweejaarlijkse expo voor die van Venetië verruild: een soort van ongeschreven boycot tegen een al te repressieve Turkse regering. Zij koos resoluut voor Istanboel: uitdagender, onbekender, en dwingender om aanwezig te zijn.

Ik kan haar geen ongelijk geven. Al twijfelde ik even.

Zuurstofland

Turkije was altijd mijn gastvrije zuurstofland geweest sinds ik voor MO* begon te reizen in de woelige regio achter de oostgrenzen van Turkije. Ik kwam er voor het eerst in 2005. De toetredingsgesprekken met Europa waren heropgestart. De grootste partij van Turkije, de islamitische AKP, verraste haar critici met een voortvarende ontwikkelingsdrang en een ferme uitgestoken hand naar het Westen.

Istanboel werd mijn heerlijke hub tussen Oost en West, zwevend tussen God en grond.
Ik ontdekte de wonderlijke miljoenenstad Istanboel, waar de zoete geur van gepofte kastanjes zich vermengde met jazzklanken uit hipsterbuurten, waar de septemberdagen uitgezwaaid werden in zowel wijnbarretjes als in de nabijgelegen restaurants tijdens het breken van de vasten. Istanboel werd mijn heerlijke hub tussen Oost en West, zwevend tussen God en grond.

Uiteraard was het meer een snapshot van een bezoeker dan de voorbijrazende realiteit voor de bewoners van deze stad. De maatschappelijke uitdagingen in de stad en het hele land waren groot, dat zag ik ook wel. De Koerden waren migrant in eigen land, de PKK weigerde de wapens neer te leggen en Turkije om de Koerdische geboortedorpen en rechten te erkennen.

Ook de alevitische minderheid hunkerde naar gelijkheid, mensenrechten hingen met teveel haken en ogen aan elkaar, de breuklijnen tussen kemalisten en gelovigen bleven behoorlijk snedig, om maar wat te noemen.

Maar toch, Turkije kwam op kruissnelheid. Er werd geïnvesteerd: in de economie, in conflictdialogen, in de strijd tegen collectieve taboe’s, in de gezondheidszorg en betere leeflonen, in infrastructuur, in cultuur, in het onderwijs. In de samenleving en zijn mensen, quoi.

De republiek wijst de weg

Taksimplein, zondagavond 10 september 2017. Avondschaduwen en nog maar eens nieuwe infrastructuurwerken rond het plein helpen mijn toch al troebele oriëntatievermogen niet vooruit. En dan herken ik het “Cumhuriyetstandbeeld”, dat me de juiste richting uitstuurt. Haast cynisch is dat, want op vraag van PEN Vlaanderen woon ik hier immers het proces bij tegen de republikeinse krant Cumhuriyet, die tot voor kort als de enige grote regeringskritische krant gold.

In dit politiek proces staat de vrije meningsuiting nog meer dan in andere mediazaken voor de rechter. Zeventien mensen, werknemers van Cumhuriyet, zijn door de Turkse staat voor de rechtbank gedaagd, wegens banden met een terroristische organisatie en sommigen wegens kritiek op de Turkse staat.

De openheid van 2005 was weg, vervangen door paranoïa en angst.
Het is intussen alweer bijna een jaar geleden dat ik in Istanboel een reportage maakte over het post-coup-klimaat. De openheid van 2005 was weg, vervangen door paranoia en angst. Turkije had, na twee jaar van levensverwoestende aanslagen, een bloedige poging tot staatsgreep meegemaakt. De noodtoestand was aangekondigd ‘tot onbepaalde duur’. De twee jaar durende hoopvolle vredesdialoog met Öcalan was in 2015 overgegaan in een nieuwe geweldronde van het Koerdisch-Turkse conflict. De geest van de Gezi-protesten van 2013 leek onverteerd op de bodem van het opengebroken Taksimplein te liggen.

Ik praatte met kunstenaars die elke vorm van staatsteun langs zich heen zagen vloeien naar wat ze omschreven als “nationalistische” of “braaf-traditionele” projecten. Een nieuwsmanager vertelde hoe zijn televisiezender was gesloten wegens tè socialistisch en te vakbondsgericht, te open ook over het onrecht tegen de Koerden in het Zuidoosten van het land.

Voor het eerst had mensenrechtenactivist Murat Belge het gevoel dat de polarisering het hart van de straten had versteend. Mensenrechtenactivist Murat Belge was moe. Hij was letterlijk oud geworden, had in zijn land talrijke staatsgrepen en pogingen ondergaan, maar geen enkele raakte hem zo diep als die van 15 juli 2016. Voor het eerst had Belge het gevoel dat de polarisering het hart van de straten had versteend. En hij vertelde dat hij niet gewend was om tegen het hart van de samenleving zelf te vechten.

Ik praatte in een nauwelijks verlichte hoek van een kraakpand met een jonge academica. Ze werkte als assistente bij één van de vijftien universiteiten die werden gesloten in de week na 15 juli, de nacht van de couppoging, waarbij tweehonderd mensen omkwamen. En ze kreeg op haar ontslagbrief code 36 opgeplakt. Ze behoort daardoor tot de honderdduizenden mensen die verdacht zijn in de ogen van de Turkse staat. Gebrandmerkt als terroriste, zonder bewijs, zonder proces. Absurd.
In de bres? Duh?

Ook de zeventien beklaagden van Cumhuriyet krijgen het absurde label van “banden met terroristische groepen” opgeplakt, zonder bewijs. Anders dan de jonge academica krijgen ze wel een proces, en wat voor een: een schertsvertoning met een overdaad aan machtsvertoon.

Het Cumhuriyetproces is, zoals vele andere vandaag in Turkije, een directe aanfluiting voor de Turkse rechtsstaat
Het Cumhuriyetproces is, zoals vele andere vandaag in Turkije, een directe aanfluiting voor de Turkse rechtsstaat, waar de vraag is hoeveel onafhankelijke rechters zijn vervangen door politiek benoemden.

Een uitspraak blijft uit, net als de door de verdediging gevraagde voorlopige invrijheidstelling. Na een zittingsdag van meer dan dertien uur is de teleurstelling groot bij de sympathisanten en de familie van de beklaagden.

En dan, na een dag in een Turkse rechtszaal, hier, in een van de best bewaakte gevangeniscomplexen van Turkije, twijfel ik even. Wat is de zin van hier aanwezig te zijn met een internationale delegatie van journalisten en hun verenigingen, schrijversorganisaties als PEN, advocaten zonder grenzen, diplomaten? Ligt de uitspraak, voorzien voor de volgende hoorzitting van 25 september, al niet netjes voorgedrukt klaar? Hoe voer je druk uit op een regering die de rechtsstaat heeft geïncorporeerd? Zorgt de aanwezigheid van een horde internationale betweters niet net voor een averechts effect bij deze regering?

‘Over achttien uur al trekt Yonca (de vrouw van de bekende onderzoeksjournalist Ahmet Sik, een van de vijf beklaagden in de cel) naar een meeting van de OESO in Warschau, om steun te vragen voor het herstellen van een onafhankelijk gerecht en van de vrije meninguiting in Turkije’, zegt de Turkse Ayse (een schuilnaam). Ze is aangeslagen, afgepeigerd ook na een hele dag organiseren en vertalen voor de niet-Turkstaligen. ‘Daarom telt jullie aanwezigheid. Het gaat om hen – de beklaagden — en ook om ons – de entourage. We hebben banden met democratieën en hun middenveld nodig om moedig te zijn, om bressen te slaan, hoe klein ook.’

Open kieren

We beseffen het nauwelijks, maar er zijn wel degelijk democratische kieren over in dit land dat zich laat regeren door repressie en de noodtoestand. De kracht van de activisten rond het Cumhuriyetproces vormt er het levende bewijs van, net als die van de beklaagden die weigeren hun eer op te geven voor de vrijheid, ook die van anderen.

Het Turkse licht ter plekke is warmer dan we in onze Europese vergaderzalen en redactieruimten inschatten.
Beklaagde en columnist Kadri Gürsel heeft zich opnieuw volop uitgeroepen als oppositiejournalist. Hij doet dat niet om dwars te zijn. Wel omdat hij oppositie vertaalt door ‘andere ideeën dan de regering over hoe het land bestuurd moet worden’, en omdat het een democratisch recht is om dan vreedzaam aan de oppositiezijde te staan.

En misschien zag ik ook wel wat kieren in de rechtszaal zelf. Verbeeldde ik het me of stelden sommige leden van de ordediensten zich, weg van de camera’s, toch gematigder op dan de orders die ze hadden gekregen? Ik zag bijvoorbeeld hoe, ondanks het verbod, die ene smartphone wel werd toegestaan, hoe vertaling voor de internationale delegatie toch mocht, hoe er gespeeld werd met de ruimte tussen bevel en begrijpende blikken.

Hier aanwezig zijn, dwingt tot kijken, letterlijk zien dat Turkse kritische burgers nog niet murw zijn geslagen, dat ze nog steeds een professioneel middenveld hebben waarop ze kunnen terugvallen. Het Turkse licht ter plekke is warmer dan we in onze Europese vergaderzalen en redactieruimten inschatten. De Turkse staat mag dan al te kritische stemmen willen muilkorven, ze zijn er nog, krachtiger zelfs dan in onze ingedommelde democratieën.

Dit commentaar kadert in een samenwerking tussen PEN Vlaanderen en MO*