Longread: Het museum van de gestolen tijd – tekst van Maksim Znak

Maksim Znak en onze voorzitter Alicja Gescinska

In Belarus nemen gevangenisautoriteiten systematisch literaire manuscripten, brieven en dagboeken van gedetineerden in beslag en vernietigen ze deze. Advocaat en schrijver Maksim Znak werd in september 2020 gearresteerd en veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. Hij bracht een groot deel van zijn straf door in eenzame opsluiting, zonder contact met de buitenwereld. Voor PEN/Opp deelt hij een verhaal over een verloren roman en het schrijven achter gevangenismuren, een verslag dat spreekt over doorzettingsvermogen, verzet en de onbreekbare wil om te creëren – zelfs wanneer al het andere is weggenomen.

Deze tekst verscheen in PEN Opp, het online magazine van onze collega’s van PEN Zweden.

Tekst: Maksim Znak, 5 mei 2026
Vertaling: Ellen Van Pelt

Onverwachte vraag vs. Onverwacht antwoord

In de celachtige ruimtes van PKT [1] loopt de tijd niet; hij hangt in de lucht, als stofdeeltjes die zichtbaar zijn in de straal van een zaklamp of wanneer een verdwaalde zonnestraal erin slaagt door de ijzeren luiken te gluren. Hoe kun je je tijd doorbrengen, als tijd in feite niet bestaat? Nu, er zijn verschillende manieren. Je zou bijvoorbeeld iets op de vloer kunnen morsen en kijken hoe het water opdroogt… Het is eigenlijk fascinerend. Maar er zijn betere bezigheden, zoals schrijven. Niet een vochtig, verdwijnend spoor op een plankenvloer creëren, maar hele werelden, mensen, hun lot bepalen, en je verbazen over hoe wetten die je niet zelf hebt bedacht personages die niet langer van jou zijn in onverwachte draaikolken van gebeurtenissen trekken. Schrijven is verlossing. Schrijven is therapie. Schrijven is…

“En, wat schrijf je daar de hele tijd?”

De vraag was eenvoudig en duidelijk. Het was al lang duidelijk dat die gesteld zou worden – ik was het wachten zelfs beu geworden. Maar toch kwam ze als een verrassing. Net zoals elke keer dat je deur opengaat een verrassing is, ook al vang je elk geluid op en voorspel je mentaal elke mogelijke plotwending. Het is een vreemd fenomeen – het gekletter van de grendel klinkt elke keer weer met een frisse, bijna theatrale onverwachtheid.

De procedure voor het binnenkomen van “de Burgerbazen” (zo moesten de vertegenwoordigers van het koloniebestuur worden genoemd) in de cel was een ritueel, dat tijdens mijn gevangenschap tal van nieuwe elementen kreeg. Maar toen, in december 2022, hoefde ik nog niet de “omgekeerde kruis”-houding aan te nemen: mijn armen tegen de muur spreiden om onderwerping te tonen en geduldig te wachten terwijl professioneel onverschillige handen een zinloze fouillering uitvoerden. In die gelukkige tijden, me niet bewust van mijn eigen geluk, stond ik gewoon bij de muur en keek toe hoe ze binnenkwamen.[2] Zij keken op hun beurt deze keer met een ongebruikelijke belangstelling naar mij, alsof ze probeerden te ontcijferen wat voor vreemd ‘beest’ hier in eenzaamheid zat en verwoed met een pen over papier bewoog.

De vraag waarvoor dit hele bezoek was geënsceneerd, klonk opnieuw:

‘Nou, wat schrijf je daar?’

In elke dubbelzinnige situatie is het het makkelijkst om de waarheid te vertellen; anders raak je misschien verstrikt. Op dat moment werd ik op heterdaad betrapt – pen in de hand en inspiratie op mijn gezicht – dus moest ik bekennen:

“Ik schrijf een boek. Kijk, ik heb al een flink stuk geschreven. Wil je het zien?”

Ik ging meteen in de aanval, want dat is de beste verdediging. Ik had ook krachtige bondgenoten in mijn oprechtheid en initiatief, die zeldzame en verdachte bezoekers waren binnen die muren.

In mijn hoofd vervloekte ik mezelf natuurlijk al om mijn onvoorzichtigheid. Ik had stiekem gehoopt dat ik op de een of andere magische manier de vruchten van mijn arbeid kon verbergen, maar magie werkt slecht in de PKT. Er zijn hier geen lades, geen geheime nissen. Alles wat je bezit, staat ofwel opeengepakt op een smalle plank boven de wastafel, of ligt eenzaam in een vierkant van vier blikplaten aan de muur. Hier iets verbergen is een taak voor een tovenaar van hoog niveau, en als je vierhonderd pagina’s moet verbergen, de concepten en het hulpmateriaal niet meegerekend, wordt de missie zo goed als onmogelijk.

In afwachting van het antwoord van de Baas wees ik naar de flinke stapel papier. Het zag er misplaatst en provocerend uit in die cel:

“Hier… ik heb een beetje geschreven. Een boek, eigenlijk…”

De Baas verstijfde. Toen vroeg hij, terwijl hij de klinkers rekte zoals mensen doen als ze tijd moeten winnen om informatie te verwerken die niet onder enige officiële instructie valt:

“Een boehoek?”

Hij moest beslissen wat hij nu moest doen, en er was niemand om advies aan te vragen.

Strikt genomen moest ik hem in elke tweede zin ‘Burger Baas’ noemen – ‘Ja, Burger Baas, meneer’; ‘Precies zo, Burger Baas’ – een soort verbaal eerbetoon aan het systeem. Maar mijn rebelse karakter kwam tot uiting in deze stille sabotage: afgezien van het verplichte rapportformulier liet ik deze vereiste aanspreekvormen altijd achterwege, waardoor ik een sprankje van mijn ‘zelf’ behield in een zee van gereguleerde wetteloosheid. Nu ja, het was iets. Een zwakke rebellie, maar nog altijd beter dan niets.

‘Wel, we zullen eens kijken wat je daar geschreven hebt!’

Met dezelfde trage bewegingen nam hij mijn notitieboekbladen, die meer dan tweehonderd pagina’s, aan beide zijden bedekt met mijn microscopisch klein handschrift in elk rastervakje. De Baas keek peinzend naar dit web van letters en liet vervolgens zijn duim langs de hoek van de stapel glijden, zoals een ervaren kaartspeler een nieuw kaartspel of een stapel bankbiljetten op echtheid controleert. Het ritselen van papier. De echtheid bevestigd. De letters zelf werden niet de moeite waard geacht om te lezen. Slechts één aandachtige blik, een kort ritselend geluid, en toen ging de Chef instructies vragen over hoe de inbeslagname van mijn wereld precies zou plaatsvinden.

Toen hij weg was, daalde die bijzondere stilte die alleen in de PKT te horen is neer in de cel. In zo’n stilte hoor je een spin een web weven in de kamer ernaast, en hoor je plotwendingen samenzweerderig in je hoofd fluisteren. Op het moment dat de grendel met een klap dichtviel, besefte ik dat de klok tikte. Ik moest me voorbereiden op de volgende akte van dit toneelstuk.

“Ja, maar toch… Wat gebeurde er daarna?”

Om de betekenis van die geschreven pagina’s te begrijpen, moeten we de film terugspoelen naar de tijd dat ik nog geen “ZNUP” [3] was – dat wil zeggen, een hardnekkige overtreder van de gevestigde orde, gedoemd om rond te dwalen in de PKT-SHIZO-lus. [4]

Het begon allemaal met The Plotless Ones. Dit was een cyclus van tien verhalen, een soort literair vrijheidsspel. Het idee was simpel: ik beschreef een situatie, schetste een plek, schetste portretten van mensen en deed verslag van handelingen, maar liet het “waarom” en “hoezo” volledig weg uit de tekst. De lezer werd uitgenodigd om medeauteur te worden, om te raden welke onzichtbare drijfveren deze personages in de gepresenteerde settings bewogen, wat er eerder was gebeurd en wat er daarna zou gebeuren.

Op de een of andere onbegrijpelijke manier zijn deze verhalen door de zeef van de censuur geslopen en buiten terechtgekomen. Mijn vader deelde ze met vrienden. En een vriendin van mij, een geweldige vrouw, die bekend stond om haar uitmuntende sportieve prestaties en andere buitengewone kwaliteiten, las de verhalen zonder plot en stuurde me vervolgens via mijn familieleden een vraag: “Oké, de verhalen zijn geweldig. Maar wat gebeurde er daarna met hen, met deze personages?”

Toen ik de vraag had gelezen, moest ik lachen. Ik stuurde een bericht terug naar de buitenwereld: “Wat bedoel je met ‘wat er daarna gebeurt’?” Ik voelde me de pionier van een nieuw literair genre. “Het is een verhaal zonder plot! Een literair spel! De lezer is de auteur! Wat je je ook voorstelt, dat is wat er gebeurt – begrijp je?!”

“Ik begrijp het,” antwoordde mijn vriendin via mijn familieleden, waarbij ze haar gedachte duidelijk en precies overbracht. “Natuurlijk begrijp ik het! Maar vertel me toch, wat gebeurde er daarna?”

Ik reageerde weer lachend op de tweede brief, dit keer een beetje nerveus. Het was onmogelijk om alle tien de verhalen – die geen personages hadden en slechts een vage plot die voor mij duidelijk was – samen te voegen tot één geheel. Maar dan weer, nadenken over onmogelijkheid was een beetje irritant. Bovendien leek het me dat de grap al een beetje te lang had geduurd…

Misschien was het daar bij gebleven, maar dat was precies het moment waarop het lot besloot me naar mijn eerste “creatieve residentie” te sturen.

In oktober 2022 bevond ik me voor het eerst in de strafcel – SHIZO. Het waren slechts vijf dagen in een betonnen kist, maar ik voelde mijn geestelijke gezondheid langzaam maar zeker haar koffers beginnen te pakken. Eenzaamheid in een strafcel is niet de stilte van een bibliotheek; het is een resonerend gerinkel in de oren van het proberen te luisteren naar en ‘zien’ wat er achter de deuren gebeurt. Probeer eens een uur lang niets te doen. Het is niet gemakkelijk, maar het is te verdragen. Maar 16 uur achter elkaar? En wat als het elke dag 16 uur is en je niet weet hoeveel van die dagen er zullen zijn? Sommige mensen kregen ‘bonnen’ voor 100 dagen in SHIZO. Het is een nogal onaangename onzekerheid en een te vermoeiend wachten, vooral gezien het feit dat je in de stilte van de cel alleen bent en de enige mogelijke voorwerpen voor vermaak een tandenborstel en tandpasta, zeep, een handdoek en toiletpapier zijn. Niet bepaald leuk.

En toen een advocaat erin slaagde mij te bezoeken (toen, in 2022, was dat nog mogelijk), stortte ik me in een soort uitzinnige toestand op hem met allerlei waanideeën. Toen ik terugkeerde naar de cel en terugdacht aan mijn opgewonden toespraken (opgebouwd door dagenlang praten met denkbeeldige gesprekspartners), besefte ik dat dit niet zou werken; ik moest iets te doen vinden. Toen kwam de gedachte bij me op: wat als ik erachter zou komen hoe het leven van de personages verder zou verlopen? Tegelijkertijd moest ik bedenken wie ze waren – de personages, hun relaties, wat er in hun jeugd met hen was gebeurd, waar ze naartoe gingen, enzovoort. Ik had een catastrofale hoeveelheid tijd en één enkele taak: de losse eindjes van de verhaalloze verhalen tot een plot samen te knopen en ze te vullen met een samenhangende betekenis. Zo begon de totstandkoming van de roman Prisoners of If.

De straf werd verlengd en die eerste tweeëntwintig dagen in SHIZO werden mijn creatieve marathon. Daar werkte ik de hoofdlijnen van het verhaal uit; elke plotwending kwam tot stand terwijl ik urenlang naar een witte muur staarde. Ik moest alles wat ik over geheugentechnieken had gelezen weer ophalen om de belangrijkste elementen die in mijn hoofd waren ontstaan vast te houden: personages, gebeurtenissen, locaties, relaties, fragmenten van levendige dialogen, enzovoort. Later, toen ik eruit kwam, zette ik deze gegevens over op het gebruikelijke medium: papier. Alles was klaar – diagrammen, tabellen, tijdlijnen. Maar hoe moest ik de tijd vinden om het allemaal op te schrijven? De tijd hielp ook bij het beantwoorden van die vraag.

Romantiek in tien enveloppen

Toen de deuren van mijn cel de volgende keer opengingen, was ik al voorbereid. Deze keer gluurde er een ‘speciale baas’ naar binnen. Tot zijn directe taken behoorden onder andere het oplossen van onvoorziene situaties en het operationeel aanpakken van diverse problemen.

Ik begroette hem met een stuk papier in mijn hand en zei kortaf:

‘Ik ben blij dat je me komt bezoeken; ik heb een verzoek voor je!’

Op de tafel lagen, als expositiestukken op een handelsbeurs, dikke enveloppen – precies tien stuks. Ik stak een haastig geschreven verklaring naar voren.

“Wacht,” zei de chef, terwijl hij het initiatief weer naar zich toe trok. “Ik ben hier om een andere reden. Wat heb je daar geschreven? We willen het lezen.”

Dit was het moment van de waarheid. De eerste lezer – een cruciaal moment.

“Kijk er alsjeblieft even naar.” – Ik glimlachte en hield de verklaring nadrukkelijk voor. “Niets extremistisch, niets politiek. God verhoede het, geen enkel woord over het gevangenisbestuur. Het gaat alleen over liefde… Nou ja, je weet wel, een jongen, een meisje – pure romantiek. Kijk zelf maar in de verklaring.”

Niets extremistisch, niets politiek. God verhoede het, geen enkel woord over het gevangenisbestuur.

Hij nam de verklaring eindelijk aan, zijn blik viel onmiddellijk op de titel van de roman die daar stond vermeld.

“Gevangenen?” Zijn stem klonk wantrouwend.

“Niet in die zin!” haastte ik me om hem gerust te stellen. “Het gaat gewoon over gevoelens. Over liefde.”

Hij gromde terug: “Nou, we zullen het lezen en er wel achter komen.”

Ik herhaalde haastig de inhoud van de verklaring hardop: “Hier is alstublieft de verklaring, en hier zijn de enveloppen. In elk zit een deel van het werk, dus er zijn er in totaal tien. Als alles in orde is, stuur ze dan alstublieft naar mijn vader. Als er iets niet klopt, stuur het manuscript dan terug naar mij, dan werk ik er verder aan. Alles staat in de verklaring: ik heb de identificatienummers van de enveloppen overgeschreven en het totale aantal pagina’s aangegeven…”

Hij mompelde: —Oké, oké… we zullen wel zien.

En toen vertrok hij zonder nog iets te zeggen, en ik bleef daar staan, starend naar de lege tafel. Mijn vierhonderd pagina’s dromen waren de grote wereld ingegaan – of in ieder geval naar een kantoor ergens buiten mijn cel. Grappig, maar het kostte me precies 22 van mijn eerste dagen in PKT (een weerspiegeling van de 22 dagen die ik in SHIZO had doorgebracht met “plotten”). In PKT was ik de hele tijd aan het schrijven en nam ik alleen pauzes om de bloedsomloop in mijn vingers te herstellen. Het was zowel uitputtend als geweldig. Nu was het resultaat van dit werk verdwenen.

Ik geloofde en geloofde niet tegelijk dat deze pagina’s doorgestuurd konden worden of op zijn minst aan mij teruggegeven konden worden. En ik had me zeker niet kunnen voorstellen dat ze een museumstuk zouden worden.

Kun je niet schrijven?

Kort nadat mijn enveloppen in de diepten van de administratieve gangen waren verdwenen, brak de tijd van de nieuwjaarsvakantie aan. In de volstrekt ontoegankelijke wereld achter vele muren ontkurkten mensen de champagne; in de voor mij minder ontoegankelijke wereld achter minder (vanuit mijn perspectief) muren vierden ze ook feest (en hadden ze zelfs Russische salade). Het systeem overhandigde me echter zijn traditionele geschenk: een ‘voucher’ om van de PKT naar de SHIZO-strafcel te verhuizen. Opnieuw zestien uur per dag wachten. Maar deze keer had ik al een idee van wat ik kon doen. Eén roman was klaar, dus wat kon ik daarna schrijven?

Daar, in de nieuwjaarskou van de isolatiecel, terwijl ik nieuwe ideeën doorliep, keerde ik toch steeds weer terug naar mijn Gevangenen. Ik stelde me voor hoe de Baas mijn enveloppen las. Hoopte ik dat hij de metaforen zou waarderen? Misschien een beetje. Een auteur hecht waarde aan lezers. Wat als hij geraakt werd door het verhaal en het aan de wereld wilde vrijgeven? De absurditeit van zo’n veronderstelling was zelfs voor mij duidelijk, zelfs in SHIZO, wat een absoluut surrealistische plek was, en toch dacht ik er regelmatig aan.

Maar de gevangenisrealiteit is een ironische minnares. De dagen sleepten zich de ene na de andere voort en, na mijn terugkeer van SHIZO naar de PKT, werd het me duidelijk: het manuscript had geen haast om bij mijn vader te komen, of terug bij mij. Het zweefde in een tussenwereld; het bestond en bestond tegelijkertijd niet.

Na enige tijd besloot ik de Grote Baas een directe vraag te stellen. Ik vroeg of het mogelijk was dat ze het manuscript aan mij teruggaven, omdat ik het schrijven moest afmaken en ik iets aan de plot moest toevoegen…

Hij keek me ironisch aan, alsof ik niet om een stapel van mijn eigen aantekeningen had gevraagd, maar om de sleutels van mijn cel, en langzaam richtte hij zijn blik op mijn borst. Daar, op mijn uniform, hing een geel label; het was mijn persoonlijke paspoort naar de wereld van de “extremisten”:

“Staat het einde van je straftermijn op je badge vermeld?” vroeg hij, terwijl hij met een vinger in het plastic prikte. “Welk jaar staat daar vermeld?”

“Tweeduizenddertig,” antwoordde ik somber.

“Nou, in het jaar 2030 krijg je je manuscript terug.”

“Krijg ik het zeker terug?”

“Je krijgt het zeker terug… als je vrijkomt en geen extra jaren hoeft uit te zitten.”

Ondanks de eigenaardigheden van de bewoording klonk het bemoedigend. Ik had tenminste een verwachte teruggavedatum gekregen, ook al was die niet erg dichtbij. Natuurlijk probeerde ik nog steeds uit te leggen dat ik correcties moest aanbrengen, dat het boek nog niet af was, maar het gesprek was gedoemd te mislukken; onderhandelen was ongepast.

Maar een schrijver is een koppig wezen en, zo bleek, een snelle leerling. De drang om te schrijven was nergens heen gegaan. Ik kon niet langer niet schrijven en raakte verwikkeld in een eindeloze strijd om middelen: op zoek naar pennen, stukjes notitieboekjes en elk stukje papier waarop ik iets kon opschrijven. Ik probeerde mijn fouten uit het verleden niet te herhalen. Eigenlijk leken mijn pogingen hilarisch, gezien het feit dat alles wat er in de cel gebeurde op camera werd vastgelegd en dat al mijn concepten zichtbaar waren tijdens inspecties… Maar ik probeerde enkele voorzorgsmaatregelen te nemen, in de hoop dat er een wonder zou gebeuren en dat deze maatregelen zouden helpen.

Mijn nieuwe strategie omvatte verschillende elementen.

Ten eerste bewaarde ik geen stapels van 400 pagina’s meer in het volle zicht. Zodra er een bepaalde hoeveelheid papier was verzameld, werd deze vanuit de cel naar de opslagruimte voor tassen verplaatst.

Ten tweede gold het principe van verspreiding ook in de tas. Nu werden concepten op de ene plek verstopt, definitieve pagina’s op een andere en al het andere materiaal op een derde. Als er zelfs maar twee van de drie verloren zouden gaan, zou het mogelijk zijn om het werk te reconstrueren met de overgebleven één.

Ten derde produceerde ik een grote hoeveelheid geschreven documenten. Ik bleef voornamelijk brieven schrijven aan mijn familieleden. Dat was mijn dagelijkse routine. Ondanks het feit dat ik sinds februari 2023 in incommunicado-modus verkeerde (mijn brieven kwamen niet naar buiten, ik kreeg geen nieuws van mijn familie, een advocaat mocht mij niet bezoeken), schreef ik voortdurend brieven (dat was een goed antwoord op de vraag “wat schrijf je hier de hele tijd?”) en soms beschreven de brieven bepaalde verhaallijnen of ontdekkingen uit de werken.

Ik was ervan overtuigd dat sommige van deze maatregelen wel moesten werken. In de PKT-cel veranderde ik in een menselijk archief, waarbij ik schatten verstopte in alle mogelijke hoekjes en gaatjes. Schrijven werd niet alleen een noodzaak, maar ook een daad van dagelijks verzet: ze konden het manuscript wel afpakken, maar de gedachten in mijn hoofd konden ze me niet afnemen. Ik redeneerde dat hoe meer ik schreef, hoe meer er uiteindelijk in mijn hoofd zou blijven.

Proloog als voortzetting van de epiloog

In juli 2025 verspreidde zich via de gevangenistelegraaf, die sneller werkt dan welk internet dan ook, het volgende nieuws: Sergej Tsikhanovski, een van de mensen die het regime het meest irriteerde, was vrijgelaten uit de gevangenis en had Belarus verlaten. Ik maakte een logische fout, wat betekende dat ik dit opvatte als een krachtig signaal dat alles op het punt stond te veranderen, dat de wolken zouden verdwijnen en dat, als ik morgen niet zou worden vrijgelaten, ik in ieder geval brieven van familieleden zou mogen ontvangen of misschien zelfs zou worden overgeplaatst naar menswaardigere omstandigheden, waarmee een einde zou komen aan mijn omzwervingen langs de lusvormige SHIZO-PKT-route. Natuurlijk was dit een naïeve veronderstelling, maar de mens is een vreemd wezen: we blijven hopen zolang we ademen.

De werkelijkheid verraste me opnieuw. In plaats van de langverwachte vrijlating of op zijn minst enige versoepeling van de strenge behandeling die ik onderging, kreeg ik opnieuw een disciplinaire sanctie en werd ik naar SHIZO gestuurd. Na SHIZO wachtte mij een nieuw “resortseizoen” in de PKT, en opnieuw werd ik daarheen gestuurd voor de maximale periode van zes maanden achter elkaar. Maar de echte “kers op de taart” was mijn laatste gesprek over het lot van dat allereerste manuscript.

Ik begon weer met de gebruikelijke zin: “Geef me het manuscript. Ik moet het afmaken en ik wil een paar hoofdstukken herschrijven…”.

De baas keek me enigszins verbaasd aan: “Manuscript?”, alsof hij probeerde zich te herinneren waar ik het over had.

Ik knikte, me realiserend dat er bijna drie jaar waren verstreken, en legde kalm uit dat ik vroeg om mijn roman terug te krijgen, aangezien ze me toch in de PKT vasthielden, zodat ik eraan kon werken.

Toen werd mij direct en duidelijk gezegd: “Beschouw het maar alsof je je roman aan het Museum van de Operatieafdeling hebt geschonken.”

“Betekent dat dat hij weg is?”, vroeg ik, terwijl ik voelde dat er iets in mij brak.

Hij legde niets uit. Hij sloot alleen bevestigend zijn ogen.

Alles werd volkomen duidelijk. Het besef (niet theoretisch, maar reëel) dat vierhonderd pagina’s van mijn leven, mijn dromen en mijn arbeid niet langer bestonden en nooit meer zouden terugkeren, was een werkelijk zware klap.

Terug in de cel zat ik daar en vroeg me af wat ik nu moest doen. Het was nu duidelijk dat er drie volle jaren in de PKT zouden volgen, vermengd met SHIZO, en het regime van totale isolatie – incommunicado – dat ik had meegemaakt, was nooit geëindigd. Er waren geen redenen tot vreugde, en nu was er ook officiële bevestiging: mijn roman was verdwenen. Ik staarde naar de witte muur, alsof ik hoopte daar de gewiste regels te zien.

En toen, terwijl ik de mee teruggebrachte spullen doorzocht, besefte ik dat ik nog steeds een pen en een ander notitieboekje had, op een nogal sluwe manier verkregen. Ik sloeg het open, ademde de geur van schoon papier in en schreef op de eerste pagina: “Proloog. Tima.”

Ik begon me dingen te herinneren. Rastervakje voor rastervakje, woord voor woord, begon ik de inhoud van mijn roman te reconstrueren. Grappig genoeg kostte het me weer 22 dagen om alle hoofdstukken te schrijven. Blijkbaar was het voor mij onmogelijk om het sneller te doen.

Ik bleef schrijven, en deze keer kreeg ik bevestiging: de woorden en ideeën in mijn hoofd zijn niet vatbaar voor inbeslagname, tenzij ik zelf opgeef en gek word.

Op 13 december 2025 werd ik om 2:45 uur ’s nachts gewekt en kreeg ik te horen dat ik mijn spullen moest inpakken. Ik was voorbereid op een dergelijke wending – alle manuscripten zaten al in één tas, gescheiden van spullen die ik in vrijheid niet echt nodig had, om te voorkomen dat het verdacht zou lijken. Ik dacht dat ik ten minste één van de drie stapels zou kunnen verdedigen: zo niet de definitieve exemplaren, dan de concepten, of op zijn minst de brieven. Maar de instructies van de Bazen waren kortaf:

“Er mogen geen geschriften mee naar buiten worden genomen. Hier valt niet over te discussiëren.”

Pogingen om te onderhandelen leverden niets op. Ik mocht zelfs geen oude brieven van familieleden meenemen, waarop duidelijk de stempels van de censuur stonden, die al uit 2021 daterden. Niets waarop iets geschreven stond. Geen sprake van. Dat waren de voorwaarden, en daar wilden ze niet over praten. Ze lieten het me gewoon weten.

Ik stapte de deuren van het PKT uit met een plastic zak die alleen mijn ondergoed en toiletartikelen bevatte. Mijn andere bezittingen waren harder nodig voor degenen die achterbleven, en mijn manuscripten waren in beslag genomen. Het enige voorwerp met woorden erop dat ik mee naar buiten kon nemen, was een tube tandpasta.

Achter vele muren (en voor de verandering bekijk ik ze niet van binnenuit maar van buitenaf) blijven ongeveer 5000 pagina’s achter, volgeschreven in elk rastervakje, 22 literaire projecten, 18 voltooide boeken: van sociale sciencefiction tot juridisch onderzoek en een boek over de triatlon. Hoogstwaarschijnlijk zijn ze tot as verbrand, of zijn ze naar de hemel gegaan, alleen omdat iemand vergeten was in mijn vrijlatingsbevel expliciet te vermelden wat er met de manuscripten moest gebeuren. Hoewel ze misschien naar een of ander archief zijn gebracht.

Praktisch gezien maakt het mij niet veel uit. En toch wil ik geloven dat mijn boeken nog steeds bestaan, dat ze leven. Ze zeggen dat mensen van wie geliefden in de oorlog vermist zijn geraakt, zelfs decennia later nog steeds in de gezichten van vreemden op straat turen, nog steeds ademend en hopend, omdat we precies zo zijn geschapen, tot ons grote geluk.

[1] PKT staat voor Pomeschenije Kamernogo Tipa (kamerachtige ruimte) – een geïsoleerde cel met strenge beperkingen, maar toch comfortabeler en met meer mogelijkheden tot activiteiten (zoals lezen en schrijven) dan de strengere isolatiecel. SHIZO staat voor Shtrafnoy Izolyator (strafcel).
[2] Om veiligheidsredenen komen ze altijd in een groep van drie of meer binnen. Eén “Hoofdbaas” en twee gewone bewakers, maar elk van hen moet worden aangesproken als “Burgerbaas” – “grazhdanin Nachalnik”
[3] ZNUP staat voor Zlostny Narushitel Ustanovlennogo Poryadka (kwaadwillige overtreder van de gevestigde orde).
[4] De PKT-SHIZO-cyclus is een proces van voortdurende bestraffing. Men mag niet langer dan een maand in de PKT worden vastgehouden, dus na afloop van de PKT-termijn wordt meestal een andere straf – SHIZO – ingesteld, waarna een nieuwe PKT-termijn volgt. De auteur bevond zich van 1 december 2022 tot 13 december 2025 in deze cyclus. 183 dagen werden doorgebracht in de SHIZO en de rest in de PKT.