
tekst: Peter Weyns, oktober 2018
Ik verslik me in mijn thee als Burhan Sönmez een uur vroeger dan afgesproken rustig het restaurant van het hotel in Kadiköy binnenwandelt. Niet omdat hij zo vroeg is, maar omdat hij er is!
Als gezaghebbende Turkse schrijver, bekende mensenrechtenjurist en bestuurslid van PEN-International, wordt hij immers voortdurend in de gaten gehouden door de staatspolitie. De geheime diensten tappen zijn telefoon af, of houden, uit pure intimidatie, zijn mails tegen.
Geenszins opgejaagd of gespannen bestelt Burhan het ontbijt, met zijn zachte bariton. Wat een rustige zekerheid! Hebben de martelingen die hij destijds onderging, zijn stem gebroken en hem zo zachtmoedig gemaakt?
Van pure verbazing én bewondering krijg ik geen ontbijthap door mijn keel. Verontschuldigingen stamelend, fluister ik dat ik slechts de vier eerste hoofdstukken van zijn boek gelezen heb (de vertaling verscheen pas enkele dagen voordien bij de Nederlandse uitgeverij Orlando), maar dat het opzet van de roman simpel lijkt:
een pikdonkere cel van twee meter op twee, drie verdiepingen onder de grond in Istanbul. Vier politieke gevangenen -Demirtay, Kamo, Küheylan en een dokter- werden gearresteerd door de geheime politie die hen beurtelings afgrijselijk martelt. Tussen de folteringen door vertellen zij elkaar verhalen om de moed er in te houden. Vertelsels over de stad boven hen, maar ook liefdesgeschiedenissen, sprookjes die ze ooit hoorden of lazen, mijmeringen over het leven in Istanbul. In de cel is er pijn, wanhoop, ellende, duisternis, kwaad. In de stad boven hen heersen schoonheid, hoop, licht, goedheid, vrijheid. “Als de stad ontvluchten de manier was om aan de dood te ontsnappen dan was conversatie de manier om de tijd te doden.”
Ik opper dat die structuur van zijn roman me doet denken aan Decamerone van Bocacio. Burhan knikt heftig. Zonder aarzeling zegt hij, dat hij van Bocacio hij de opbouw voor zijn boek leende. “Giovanni Boccacio beschrijft hoe zeven vrouwen en drie mannen op de vlucht voor de pest zich gedurende tien dagen verschuilen in een stal nabij Florence, waar ze wachten tot de epidemie voorbij is. Zij vertellen elkaar voortdurend allerlei verhalen.” Burhan: “critici noemen me wel eens de Turkse Boccacio.” “Het moois in het bovengrondse Istanbul, is er ook in het ondergrondse Istanbul”.
In hoofdstuk/celdag één maakt Burhan gebruik van bevrijdende humor. Hij laat de student Demirtay zijn celgenoten een grappig verhaal vertellen over een gewiekste non. ‘Toen Kamo de barbier begon te bulderen van de lach boog ik mij naar hem toe om zijn mond te snoeren. Als de bewakers ons hoorden, zouden zij ons klappen toedienen of ons bij wijze van straf op een rijtje tegen de muur zetten en ons daar uren laten staan. Zo wilden we onze tijd tot de volgende martelsessie niet doorbrengen. (…) De tijd, die in onze cel stilstond omdat onze lichamen gevangen zaten, begon weer te lopen wanneer onze geest naar buiten ging.”
In hoofdstuk/celdag twee roept Burhan, middels de gevangen genomen naamloze dokter, de kracht van de verbeelding op. ‘ Oom Küheylan hield zijn vingers tegen zijn lippen alsof hij een sigaret rookte en nam een diepe trek. Daarna ademde hij uit met zijn hoofd tegen de muur geleund alsof hij rook uitblies. Met een volstrekt onbewogen gezicht mimede hij dat hij zijn tabaksetui uit zijn zak haalde en die Demirtay en mij aanbood. Even was ik van slag, maar ik weigerde niet. Ik deed alsof ik een vloeitje uit het tabaksetui in zijn lege had pakte en legde er wat plukjes shag in.(…) ‘Mijn grootste probleem is een plek waar ik mijn peuken uit kan drukken’, zei oom Küheylan. ‘Meestal ga ik op zoek naar een gat in de muur waar ik mijn peuken kan laten. Wanneer ik geen gat kan vinden, zit er niets anders op dan ze op de vloer te gooien. Ooit vergat ik dat de lucifer die ik vasthield nog brandde. Toen mijn vinger heet werd, gaf ik een gil van pijn en gooide de lucifer op de grond. Mijn verbrande vinger heeft nog twee dagen pijn gedaan.(…) Bij oom Küheylan was geen sprake van een illusie, het was allemaal echt.”
In hoofdstuk/celdag drie zet Burhan de lezer op het verkeerde been met een profeet-verhaal van Kamo de barbier. “Ik kende de menselijke ziel. Die wilde de waarheid, maar begreep haar niet. Wat konden ze ook geloven na al dat zweet, al die bezittingen en al die godsvrucht: het wonder van de sprekende muur of wat hij zei? Hij liegt! Deze man is niet de profeet! Was de mens zelf niet een leugen?”
In hoofdstuk/celdag vier leert Burhan, via de oude oom Küheylan, me iets over pijn. Emotionele smart door eenzaamheid en liefdesverdriet of fysiek leed door folteringen. ‘Pijn maakt het lichaam tot slaaf, zoals angst dat met de ziel doet (…) En de beste manier om de bovengrondse pijn te verbergen was door ondergrondse pijn te veroorzaken.’’
Als ik opmerk dat Burhan de situatie van een Turkse cel blijkbaar van binnenuit kent, zegt hij niet graag te spreken over zijn gevangenisperiode “want mijn lot is het lot van velen. In Turkije is gearresteerd en gefolterd worden een sociale gewoonte. Het gebeurde in de jaren ’70,’80 en wellicht vandaag. Ik wil dat verschillende generaties zich herkennen in het boek. Lezers van alle leeftijden zeggen dat ik schrijf over hen, over hun gevoelens. De laatste jaren zijn er 250.000 mensen gevangen gezet, journalisten, schrijvers, advocaten, academici…Je wordt het gevaar gewoon.”
Na de wonderlijke ontmoeting-bij-het-ontbijt lees ik met stijgende verbazing hoe Burhan in zijn boek de thema’s van de eerste vier hoofdstukken/celdagen uitwerkt. De romanfiguren worden levend.
In hoofdstuk/celdag vijf vertelt Demirtay een grappig oorlogsverhaal. “We hebben zo hard gelachen dat ik bang ben dat ons iets ergs gaat overkomen.’ ‘Iets ergs?’ zei de dokter. ‘Wat voor ergs zou ons hier kunnen overkomen?’ We begonnen opnieuw te lachen. Alleen wanneer mensen dronken waren of lachten, dachten ze niet meer aan de toekomst en haalden ze de schouders op over het leven. Zoals de tijd stil blijft staan wanneer iemand lijdt, blijft hij ook stilstaan wanneer hij lacht.”
In hoofdstuk/celdag zes start de dokter met een erotische vertelling en situeert die geschiedenis in Istanbul. “Oom Küheylan, je weet dat voor ons elke stad Istanbul is.(…)We maten ons geluk niet af aan de wereld bovengronds. Die was een oude, vage herinnering. In de cel was pijn de enige maatstaf die we hanteerden. De afwezigheid van pijn stond gelijk aan geluk.”
In hoofdstuk/celdag zeven verhaalt student Demirtay over zijn ambivalente houding tegenover Istanbul. “Dit was toch de stad waar alle tijdperken samenkwamen? De vragen die in hen opkwamen, vergaten ze liever. Ze keken niet om zich heen, maar in de verte. Ze verdoezelden verdriet om te kunnen vergeten, maar beseften niet dat ze ook het heden vergaten. Leven en sterven kwamen voor hen op hetzelfde neer, maar het verleden was oneindig. Ze waren wanhopig verliefd op voorbije tijden, maar ze minachten de stad waarin ze elke ochtend hun ogen openden. Ze stapelden beton op beton en bouwden koepels die elkaar nabootsten. Ze sloopten en verwoestten en wanneer ze doodmoe thuiskwamen, gingen ze slapen met een fraai schilderij van Istanbul boven hun hoofd: Ze willen dat ik toegeef aan de pijn, mijn liefde opgeef. Zij willen dat ik niet langer in mezelf en in Istanbul geloof, dat ik zoals zij word. Ze martelen me op elke denkbare manier. Ze scheuren mijn lichaam aan flarden in een poging mijn ziel op die van hen te laten lijken.“
De metropool Istanbul duikt alsmaar nadrukkelijker op in de roman.
“De oude stad was dood en om de een of andere reden weigerde de nieuwe stad geboren te worden. Istanbul is als de duivel vermomd als engel. “
In hoofdstuk/celdag acht komt opnieuw de naamloze dokter aan het woord. Dit maal met een vertelsel over een vliegtuig dat -niet toevallig-in de stad neerstort. Een aanleiding voor Demirtay om zijn betoog uit het vorige hoofdstuk verder te zetten: ‘In Istanbul waren brood en vrijheid twee verlangens die eisten dat de een slaaf van de ander zou worden. Of je offerde je vrijheid op voor brood of je deed afstand van brood ten behoeve van de vrijheid. Je kon onmogelijk beide tegelijk verdienen. De jeugd in de buurt wilde een eind maken aan dat lot. In de schaduw van felverlichte reclameborden droomden ze van een nieuwe toekomst. Onder het lezen van de boeken die ze me hadden gegeven, dacht ik hoe kan een nieuwe toekomst zich aandienen als heel Istanbul onder de wonden zit. De straten waren overvol met auto’s en percelen overvol van gebouwen. Kranen en metalen aanlegsteigers namen de plaats in van droefgeestige bomen. Net zoals het aantal bedelaars nam het aantal vogels toe dat moeite had om voedsel te vinden. Ik las aan één stuk door in een poging iets te begrijpen van de stad waaraan mijn moeder, mijn docenten en vrienden zo gehecht waren.’
Naarmate de roman vordert, nemen de belevenissen van de gevangenen in intensiteit toe: Kamo de barbier beschermt zijn naar het verzet vertrokken ex-op-wie-hij-nog-hevig-verliefd-is door enkele staatsagenten die haar schaduwen te vermoorden; de dokter neemt de plaats in van zijn zieke zoon in de ondergrondse beweging; de student Demirtay verzeilt in een romantische relatie met de bloedmooie weerstandsvrouw Yasemin Abla; oom Küheylan, wiens vader ook in de bergen vocht, ontpopt zich tot een vurig strijder-filosoof.
De toon in het boek wordt grimmiger. Er duiken verhalen op over felle verzetsdaden, heftige martelingen, sensationele berichten over gevechten van revolutionairen met het leger…er is zelfs sprake van geniepig verraad als er een politie-infiltrant in de cel komt.
Wanneer in hoofdstuk/celdag negen de politiebeulen Kamo nogmaals bloederig folteren, word ik draaierig. Gelukkig luiden op dat moment enkele Japanse toeristen de enorme bel op het verlaten perron van het Sircecistation waar ik zit te lezen. Datzelfde schel geluid verwittigde de treinreizigers indertijd ook als ze dreigden de wereld te vergeten. Saved by the bell.
In het laatste tiende hoofdstuk/celdag heeft oom Küheylan het nogmaals over de stad en haar inwoners. ‘Iedereen sprak over de schoonheid van Istanbul, maar het lukte niemand om daar gelukkig te zijn. Onzekerheid, egoïsme en geweld verhulden de schoonheid van de stad.(…)Onder- en bovengronds werden ze ondergedompeld in lijden, klampten ze zich vast aan het kwaad. Het verminken van de stad duidden ze aan met vrijheid. Ze zagen niet in dat het ultieme doel van het kwaad de vernietiging van schoonheid was. Deze verheven stad kwam in verzet tegen de dwaasheid van haar bevolking. Ze verweerde zich helemaal in haar eentje, probeerde haar schoonheid te behouden.”
De eindzinnen van de schitterende roman waarmee Burhan me tenslotte figuurlijk knock-out slaat: “pas toen begreep ik wat mijn vader had gezegd. Wat een stad tot een stad maakte, was de blik waarmee iemand ernaar keek. Wie haar een kwade blik schonk, maakte de stad verdorven, wie haar welwillend bekeek, maakte haar mooi. De veranderingen en verfraaiingen van de stad hingen af van de veranderingen en verfraaiingen van de mens.”

